NVAS Nieuwsbrief November 2009

Het hoofd, de media en ik
Door Ineke van Kessel

Op 24 juli jl. keerde het hoofd van Koning Badu Bonsu II per KLM terug naar Ghana, vergezeld door een delegatie Ahanta notabelen. Na zo‘n 180 jaar rust in een preparaatpot in het Anatomisch Museum in Leiden stond het hoofd van Bonsu opeens in het middelpunt van de belangstelling. Minister Maxime Verhagen van Buitenlandse Zaken sprak plechtige woorden, nadat de tapijten van zijn ministerie rijkelijk waren besprenkeld met Henkes jenever. De jenever moest zo rijkelijk vloeien omdat de Ahanta-delegatie met haar lange reis over zoveel wateren wel een zwaar beroep had gedaan op de voorouders, zo legde een delegatielid ‘s avonds uit tijdens een informele maaltijd in het Haagse restaurant Swingin‘ Safari.

Voor de Nederlandse televisie vertelde een emotionele verre nazaat van Bonsu dat zijn onteerde voorvader een anti-koloniale vrijheidsstrijder was geweest, die zijn strijd tegen de slavenhandel met de dood had moeten bekopen. Zo is Bonsu posthuum nog een nieuwe carrière begonnen. Toch hadden de Ahanta nooit een verzoek tot teruggave ingediend. Zonder de interventie van Arthur Japin zou het hoofd van Bonsu zijn lange sluimer in een Leidse museumkast gewoon hebben voortgezet. De auteur stuitte op het verhaal toen hij onderzoek deed voor zijn historische roman De Zwarte met het Witte Hart, verschenen in 1997. In oktober 2008 greep Japin het staatsbezoek van president John Kufuor van Ghana aan om de kwestie op de agenda te zetten. Bij Pauw en Witteman vertelde de schrijver hoe hij ‘de behoefte voelde om hem [Bonsu] thuis te brengen‘. Zodoende werd het hoofd van Bonsu een Kwestie: de zaakgelastigde van Ghana kon weinig anders doen dan een verzoek indienen om teruggave.

Mijn eigen relatie met het hoofd van Badu Bonsu dateert van een jaar of tien geleden. Tijdens mijn onderzoek in het Nationaal Archief naar de geschiedenis van de Afrikaanse soldaten die in de 19de eeuw werden geworven voor het Oost-Indisch Leger, stuitte ik op het bizarre verhaal van de Nederlandse strafexpeditie van 1838 aan de Goudkust. Een aantal Afrikaanse rekruten voor Java werd in afwachting van hun verscheping naar Batavia ingezet bij deze expeditie, en dus begon ik ijverig te lezen. Natuurlijk had ik Japins boek gelezen, maar in een historische roman lopen feit en fictie in elkaar over. Het stukje over Bonsu’s hoofd in de Leidse preparaatpot had ik opgevat als fictie, en vervolgens vergeten. Voor mij was het verhaal dus nieuw, en ik volgde met rode oortjes de bizarre ontknoping van een uit de hand gelopen conflict. Het was allemaal begonnen als een routinekwestie: Bonsu maakte bezwaar tegen de levering van Nederlands kruit aan de Wassa, met wie hij op voet van oorlog verkeerde. De Nederlandse commandant in het fort te Chama, Smulders, belast met de oplossing van de kwestie, was een alcoholist die permanent met een enorme kater rondliep. Volgens de bronnen had Smulders, die niet bekend stond om zijn aimabele omgangsvormen, Bonsu honds behandeld.

Ook de bejaarde Ahanta-vorst doemt uit de bronnen op als een onaangenaam type, vanwege zijn wreedheden gehaat bij zijn onderdanen. De kwestie werd niet volgens beproefd gebruik bijgelegd, maar escaleerde buiten proportie. Het verhaal is inmiddels genoegzaam bekend. De dood van twee Nederlandse gezanten, gevolgd door een mislukte strafexpeditie waarbij nog meer Nederlanders sneuvelden, moest worden gewroken. Bonsu‘s onderdanen namen de gelegenheid te baat hun weinig beminde vorst uit te leveren. De koning werd opgehangen op de plaats waar eerder de twee Nederlandse gezanten waren doodgeschoten. Daarna werd zijn hoofd afgesneden, en ‘in het belang van de wetenschap‘ op sterk water gezet. Het Anatomisch Museum bevestigde mij indertijd desgevraagd dat Bonsu‘s hoofd daar in het depot stond, maar ik mocht niet komen kijken.

In 2001 schreef ik een stukje voor het Historisch Nieuwsblad en verwachtte enige commotie. Het bleef rimpelloos stil. Wel werd ik sindsdien eens per drie of vier jaar opgebeld door een radio-omroep met het verzoek het verhaal uit de doeken te doen. De aanleiding was doorgaans een discussie over menselijke resten in musea. Maar eind 2008 was het hoofd dankzij Japin opeens een Kwestie geworden.

Na Japins tv-optreden ging Jan en Alleman met het hoofd aan de haal, vooral nadat AP een bericht had verspreid waarin de Ahanta, een klein kustvolk, waren geworden tot de Ashanti, het machtige rijk in het binnenland van Ghana. Al doende was Bonsu postuum gepromoveerd van dorpshoofd tot machtig vorst. Van Toronto tot Taiwan tot Turkije haalde de eis tot teruggave van Bonsu’s hoofd de krantenkolommen.

Nu mocht ik zowaar mijn verhaal doen voor de televisie, in NCRV’s Netwerk. De programma-makers namen alle tijd voor de opnamen, maar in de uitzending diende ik alleen nog als wetenschappelijk decor voor een stukje emotie-tv. De jeugdige Ahanta nazaat, ongetwijfeld oprecht emotioneel door de confrontatie met het hoofd van zijn verre voorvader op sterk water, leverde heel wat pakkender beeldmateriaal op dan een pratend hoofd in een universiteitsbibliotheek. De verre neef kon de situatie alleen hanteren door een hele nieuwe Bonsu uit te vinden: de anti-koloniale vrijheidsstrijder. Het zou me niet verbazen als de Ahanta traditie inderdaad in deze zin wordt aangepast. Volgens de laatste berichten uit Ahanta wordt er gewerkt aan een mausoleum ter ere van Badu Bonsu II.