NVAS Nieuwsbrief November 2009

’Creoles at birth? The role of nativization in language formation‘

Dr. Margot van den Berg (Taalwetenschap RU Nijmegen)
Looptijd: Januari 2009 – December 2012

Dit project maakt deel uit van de Languages in Contact groep onder leiding van Pieter Muysken. Website: www.ru.nl/linc

Worden creooltalen geboren? De rol van volwassenen in taalontwikkeling

Het is binnen de taalwetenschap en daarbuiten een wijdverbreide opvatting dat creooltalen voortkomen uit pidgintalen. Een pidgintaal is een taal met een beperkte woordenschat en een eenvoudige grammatica, die ontstaat in situaties waarin volwassen sprekers van verschillende talen regelmatig met elkaar willen of moeten communiceren. Creooltalen zijn complexere opvolgers van pidgins, die wat gebruiksmogelijkheden en expressief bereik betreft niet onder doen voor talen zoals het Nederlands. Pidgintalen daarentegen zijn beperkt in hun gebruiksmogelijkheden en bereik. De structurele verschillen tussen creooltalen en pidgintalen worden veelal verklaard als het gevolg van moedertaalverwerving door kinderen, niet door tweede taalverwerving door volwassenen. Creooltalen worden als het ware ‘geboren’. Toch bestaat hier geen overeenstemming over onder taalwetenschappers, met name de geringe invloed van volwassen tweede taalsprekers op het ontstaansproces wordt ter discussie gesteld.

De invloed van volwassen tweede taalsprekers op een taal in ontwikkeling kan inzichtelijk gemaakt worden door vergelijkend historisch taalwetenschappelijk onderzoek naar creooltalen die in de vroege fasen van hun ontwikkeling gekenmerkt worden door verschillende verhoudingen moedertaalsprekers en tweede taalsprekers. Dergelijk onderzoek is tot op heden niet verricht, maar er bestaan unieke mogelijkheden toe. Van het Sranan, een Surinaamse creooltaal, is bijvoorbeeld bekend dat er veel meer tweede taalsprekers dan moedertaalsprekers waren gedurende haar ontstaansperiode en daarna. Zelfs aan het eind van de 18e eeuw, meer dan 100 jaar na het ontstaan van deze taal, was het Sranan slechts de moedertaal van 30% van de bevolking van Afrikaanse herkomst. Dit staat in schril contrast met het Negerhollands, de uitgestorven Nederlandse creooltaal van de Maagdeneilanden, dat zich in dezelfde periode en onder vergelijkbare omstandigheden veel sneller tot moedertaal van een groot deel van de bevolking ontwikkelde. Voor zowel het Sranan als het Negerhollands is een grote hoeveelheid reeds gedigitaliseerd historisch tekstmateriaal uit deze periode beschikbaar, dat ons in staat stelt om een betrouwbaar, waarheidsgetrouw beeld te vormen van de taal zoals die destijds gesproken werd.

Dit project beoogt de invloed van volwassen tweede taalsprekers op de ontwikkeling van creooltalen te onderzoeken middels 1) een vergelijkend historisch taalwetenschappelijk corpusonderzoek met behulp van methoden van taalvariatie-onderzoek toegepast op het Sranan en Negerhollands; 2) onderzoek naar tweede taalverwerving door Twi- en Gbe-sprekende Ghanezen die Nederlands leren in Nederland en 3) onderzoek naar Ghanaian Pidgin in relatie met codewisseling tussen Engels en de Twi en/of Gbe-talen van Ghana. Verwanten van inwoners van onder andere het hedendaagse Ghana werden tot slaaf gemaakt en naar Suriname en de Maagdeneilanden vervoerd, waar zij in de ontstaansperiode van het Sranan en Negerhollands een substantieel deel van de slavenbevolking vormden. Het historisch corpusonderzoek levert een overzicht op van de strukturele verschillen en overeenkomsten tussen het 18e en 20ste eeuwse Sranan en Negerhollands. Het taalverwervingsonderzoek stelt ons in staat de strukturele kenmerken van het ‘Ghanees ’ Nederlands te identificeren die terug te voeren zijn op Twi en de Gbe-talen. Ook het onderzoek naar het Ghanaian Pidgin en Twi/Gbe Engels codewisseling heeft tot doel kenmerken aan te wijzen die duiden op overdracht vanuit de Twi en Gbe-talen. Op basis van de verschillen in de verhouding moedertaalsprekers – tweede taalsprekers verwacht ik dat het 18e eeuwse Sranan meer dan het 18e eeuwse Negerhollands kenmerken vertoont die duiden op overdracht van de Twi of Gbe-talen.

Dit is de eerste empirische studie waarin de invloed van volwassen tweede taalsprekers in de ontwikkeling van creooltalen wordt onderzocht op basis van comparatief taalhistorisch onderzoek in combinatie met hedendaags taalverwervingsonderzoek en codewisselingsonderzoek. Het geeft een nieuw en fundamenteel inzicht in de rol van volwassenen in de ontwikkeling van creooltalen in het bijzonder en in de universele principes van taalontwikkeling en taal in het algemeen.

Surinaamsche Plantage Frontispiece uit een boek uit 1828: Kuhn, F. A. (1828) Beschouwing van den toestand van de Surinaamsche Plantage slaven. Een oeconomisch-geneeskundige bijdrage tot verbetering van deszelven. Amsterdam: C. G. Sulpke