NVAS Nieuwsbrief Juni 2009

Migratie-onderzoek in Maastricht.
Interview met Valentina Mazzucato

Door Marijke Steegstra

Per 1 maart 2009 is Valentina Mazzucato benoemd als ′Professor of Globalization and Development′ aan de Universiteit van Maastricht. Voorheen was zij werkzaam aan de UvA waar ze een project over transnationale netwerken van Ghanese migranten leidde. Daarnaast heeft zij dit voorjaar een nieuwe subsidie ontvangen van NWO/WOTRO voor onderzoek naar ″Transnational Child-Raising Arrangements between Ghana and The Netherlands″, als onderdeel van de zogeheten ′Integrated Programmes′. Een goede aanleiding om haar enkele vragen te stellen.

Hoe kwam u tot de overstap van Amsterdam naar Maastricht?
Er was een vacature voor een professorschap. Wat me daarin aansprak was de mogelijkheid om een groep rond de thema′s ′globalisering en ontwikkeling′ en ′transnationale migratie′ op te bouwen. Het is ook erg leuk dat er in Maastricht een heel actieve, grote en interfacultaire groep is die onderzoek doet naar migratie. Er wordt zowel vanuit de medische als uit de ′sociale′ en economische hoek en ook vanuit rechten onderzoek naar gedaan. Het is dus een heel stimulerende, heel interdisciplinaire, omgeving waarin heel veel uitwisseling van kennis mogelijk is.

Wat is uw taak als professor in Maastricht?
Mijn belangrijkste taak is om de studie van ontwikkelingsgebieden vanuit een globaliserings perspectief centraler te maken in het onderwijs- en onderzoeksprogramma van de faculteit. Vanuit dit gezichtspunt help ik om een MA programma over Globalisering en Ontwikkeling op te zetten en de onderzoeksgroep naar ′Transnational Migrant Networks′ te coördineren. Binnen de onderzoeksgroep hebben we twee grote interdisciplinaire onderzoeksprogramma′s over transnationale migratie tussen Afrika en Europa.

Kunt u wat meer vertellen over die onderzoeksprogramma′s?
Het eerste programma, dat van 2008 tot 2012 loopt, wordt gefinancierd door het Europese ′7th Framework research program′ en gaat over ′Migrations between Africa and Europe (MAFE)′. Het is een samenwerkingsverband tussen toonaangevende migratie instituten in Europa en Afrika (in Ghana, Congo en Senegal). Het traceert Afrikaanse migratiepatronen naar en vanuit Europa, identificeert de determinanten van deze migratiepatronen en bestudeert sociaal-demografische effecten van zulke migraties op het niveau van het individu, de familie en de samenleving.
    Het tweede programma gaat dus over ″Transnational Child-Raising Arrangements between Ghana and The Netherlands″ en wordt gefinancierd door NWO/WOTRO. De Universiteit van Maastricht werkt samen met de University of Ghana in dit interdisciplinaire programma om de effecten van transnationale opvoedingsregelingen op de drie belangrijkste betrokken actoren te onderzoeken: kinderen, verzorgers en ouders. Dat doen we door te focussen op ten eerste de effecten op scholing, werk, gezondheid en het psychologisch en emotioneel welbevinden; en ten tweede op hoe deze regelingen functioneren. Het programma kijkt ook naar hoe drie typen van instituties, namelijk 1) scholen in Ghana, 2) normen van ′fostering′ (pleegzorg) in Ghana en 3) familie migratiewetten in Nederland, transnationale opvoedingsregelingen beïnvloeden of er door beïnvloed worden. Vier verschillende sub-projecten in Ghana en Nederland zullen deze vragen gaan beantwoorden aan de hand van een ′multi-sited′ onderzoeksontwerp en een zogeheten ′mixed-method′ methodologie.

Betekent dat multi-sited onderzoek dat onderzoekers zowel in Ghana als in Nederland onderzoek gaan doen en kunt u wat voorbeelden geven?
Ja, we hanteren dezelfde methodologie als bij Ghana Transnet, mijn vorige onderzoeksproject. We gaan netwerken, de ′child-raising networks′, tegelijkertijd volgen vanuit verschillende plekken. Er zullen twee PhDs en twee postdocs meedoen. Eén PhD zal onderzoek doen naar ouders die geëmigreerd zijn naar Nederland. Een Ghanese PhD zal in Ghana de achtergebleven kinderen met hun verzorgers onderzoeken. De ′multi-sitedness′ van het onderzoek gaat dus zowel over onderzoek op verschillende plekken als over de mensen op die verschillende plekken die met elkaar verbonden zijn. We hanteren daarbij zowel kwalitatieve als kwantitatieve methoden. Een deel is antropologisch en we zullen ondermeer gaan observeren wat er gebeurt als een kind ′remittances′ ontvangt: ontstaat er bijvoorbeeld competitie tussen dat kind en de eventuele kinderen van de verzorger?
    De ene postdoc zal een kwantitatief onderzoek uitvoeren in Ghana en onder andere onder schoolkinderen een survey houden. Een vraag daarbij is bijvoorbeeld: zijn de prestaties van kinderen van gemigreerde ouders beter of slechter dan die van andere kinderen? Zij krijgen misschien meer geld toegestuurd van hun ouders, maar het feit dat die ouders er niet zijn kan ook een negatieve invloed hebben. We willen dus graag weten hoe verschillende opvoedingsregelingen eruit zien en wat voor effecten ze hebben. ′Fostering′ is in de Ghanese context heel normaal, maar vanuit een transnationaal perspectief ziet het er wellicht heel anders uit.
    De tweede postdoc zal ondermeer een survey houden onder Ghanese migranten in Nederland over die verschillende opvoedingsregelingen. Daarbij komen ouderparen of alleenstaande ouders in beeld die een of meer kinderen hebben achtergelaten of juist niet, en we willen weten welke effecten dat heeft op de kinderen en de gezinssituaties.

Wanneer gaat het onderzoek van start?
Per september 2009.

Heel veel succes en bedankt voor het gesprek!