NVAS Nieuwsbrief Juni 2009

Proefschrift Recensie

Djedjebi, Théophile Sourou. 2009. Pastoralistes et la ville au Bénin, livelihoods en questionnement. Proefschrift, Faculteit Sociale Wetenschappen, Universiteit Leiden.

Door Anneke Breedveld

Een stoffige weg met door datzelfde stof gelijk gekleurde auto´s, vroemende bromfietsen – half op de weg een kudde koeien, voortgedreven door een herder sjokkend in zijn karakteristieke houding: de handen rustend op een lange stok over de schouders. Dit is een beeld dat bij mij wordt opgeroepen door het proefschrift van Djedjebi over de ″livelihood″ (wat ik even vrij vertaal als ″levensonderhoud″) van de Fulbe in Kandi, Parakou en Cotonou, drie steden van verschillende grootte in Bénin. Veel vragen komen naar boven bij het zien van deze herders. Waar gaan ze heen, waar komen ze vandaan, kan je als herder in de stad een goede boterham verdienen? Djedjebi heeft geprobeerd een antwoord te vinden op dergelijke vragen. Uitgebreid beschrijft hij de werkzaamheden van naar de stad getrokken Fulbe en hij analyseert hierbij de vormen van kapitaal en toegang tot kapitaal die van belang zijn bij het verkrijgen en behouden van levensonderhoud. Het centrale concept in deze beschrijving is livelihood, wat hij onvertaald in het Frans laat staan.

Ter illustratie beschrijft Djedebi kort hoe een aantal met name genoemde Fulbe jongens en mannen aan werk zijn gekomen en wat dat werk inhoudt. Bijvoorbeeld Manou Garba, een jongen die op 13-jarige leeftijd naar Kandi trekt en op de taxistandplaats door omstanders naar de lokale Fulbe chef gedirigeerd wordt. Deze herbergt hem in afwachting van werk. Net als yoor Manou Garba, is dit etnisch gelabelde Fulbe netwerk voor alle stadsimmigranten een belangrijk onderdeel van hun sociale kapitaal, zowel in de kleine plaats Kandi en het regionale centrum Parakou, als in de hoofdstad Cotonou. Naast dit sociale kapitaal nemen mensen ook hun eigen mankracht en kennis mee en ook dit menselijk kapitaal kunnen zij inzetten bij het opbouwen van hun stadse bestaan. Een herder kan misschien ook in de stad werk vinden als herder, bijvoorbeeld voor een aantal stedelingen die elk een paar melkkoeien bezitten, of voor een veehandelaar of slager die vaak een grote kudde heeft lopen. Maar volgens Djedjebi verdien je daar niet veel mee. Opvallend is dat deze gehuurde herders over het algemeen ongetrouwd zijn. Voor getrouwde Fulbe is het kennelijk lonender om als ambulante verkoper van snoep, sigaretten en andere koopwaar aan het werk te gaan. Hier is echter fysiek kapitaal (d.w.z. geld) voor nodig: de spullen moeten eerst ingekocht worden voor ze met winst kunnen worden verkocht.

Djedjebi beschrijft nog twee andere beroepen waarin Fulbe in de stad werk vinden, namelijk veehandelaar en bewaker. Vooral in Cotonou zijn veel Fulbe aan het werk als bewaker of nachtwaker. Djedjebi wijt dit deels aan hun reputatie als moedige vechtersbazen. Hij relateert het imago van moed en eerlijkheid van de Fulbe aan het begrip pulaaku dat vaak beschreven wordt als de gedragscode van de Fulbe. Het beroep van veehandelaar staat open voor hen die kapitaal hebben geërfd. Dit zijn voornamelijk leden van welgestelde families van veehandelaren; in Bénin heten zij vaak Sidibé.

Djedjebi schetst in dit proefschrift ook enkele historische ontwikkelingen: zo is het interessant om te lezen dat de vraag naar vlees gestimuleerd is door de vestiging van een kampement van het Franse koloniale leger en dat de huidige bancaire crisis leidt tot een grotere investering van stads spaargeld in vee, waardoor er meer vraag is naar herders in loondienst.

Opmerkelijk is dat Djedjebi in de titel het woord pastoralisten gebruikt. In het boek wordt duidelijk dat hij het alleen over Fulbe heeft. Nu wordt de gelijkschakeling Fulbe = pastoralisten wel vaker gemaakt, maar de veehouders vormen maar één van de sociale groepen binnen de Fulbe samenleving. Ook bijvoorbeeld de ambachtslieden vormen een eigen sociale groep en in tabel 3.1 noemen de ondervraagde Fulbe ook maraboutage en artisanat als activiteiten die typerend zijn voor stadse Fulbe. Djedjebi gaat echter niet verder in op deze beroepsgroepen, waardoor hij de bestaande stereotypes over Fulbe helaas bevestigt. Het boek gaat duidelijk over Fulbe herders die in de stad nieuw emplooi zoeken en vinden. Het gaat dus niet over degenen die geen werk vinden, noch over mensen die traditioneel in hun levensonderhoud voorzien als marabout, houtbewerker, leerbewerker, griot, smid, of akkerbouwer. Hoewel er wel enige aandacht is voor de rol van vrouwen in de bewerking en verkoop van melkproducten of als vlechtster en huishoudster, ligt de focus voornamelijk op het werk van de mannen.

Jammer is ook dat een artikel van ondergetekende (Breedveld en De Bruijn 1996) met regelmaat wordt aangehaald, echter voornamelijk om te citeren wat anderen in het kader van de Fulbe identiteit over het begrip pulaaku hebben gezegd. Ons eigen standpunt wordt echter nergens genoemd. Dit komt er in het kort op neer dat in sommige gebieden (Mali) de term pulaaku alleen verwijst naar de Fulbe gemeenschap, terwijl het in andere gebieden ook de betekenis heeft gekregen van gedrag dat typerend voor die Fulbe gemeenschap zou zijn. Dit laatste met name in gebieden waar hun immigratie meer recent is (bijvoorbeeld Kameroen). Inmiddels is de semantische ontrafeling van het begrip pulaaku door het veelvuldig gebruik in politieke context knap ingewikkeld geworden.

Pastoralistes et la ville au Bénin is een boek dat je moet lezen als je wilt weten hoe een Fulbe herder die zijn vee verloren is in de jaren ´70 en ´80 van de vorige eeuw in Benin toch een bestaan kan opbouwen in de stad. Door de uitgebreide beschrijving en vergelijking van het werk van veehoeders, verkopers, veehandelaren en bewakers in Kandi, Parakou en Cotonou valt er ook veel te lezen over de samenhang tussen dorp, regionale stad en hoofdstad als het gaat om de broodwinning van Fulbe. Zij blijken daarbij niet alleen gebruik te maken van hun eigen menskracht, ervaring en spaargeld, maar ook van etnisch en religieus gedefinieerde sociale netwerken. Ondanks het feit dat de verstedelijkte Fulbe zelf niet aan het woord komen, zie je ze toch door het boek heen lopen en kom je erachter hoe het sommige van hen lukt om een redelijk bestaan op te bouwen.