Onderzoek in de uithoek van Zambia
Door Iva Peša
Van 27 juli tot 21 december 2008 was Iva Peša op veldwerk in Zambia voor haar Research Master African Studies in Leiden. Gedurende de maanden september en oktober verbleef zij daarvoor in het gebied Mwinilunga. Hieronder een verslag.

´Mwinilunga? Waarom wil je dáár nou heen? Dat is helemaal aan het einde van Zambia, er is niks, alleen ananassen!´ Dit is maar een greep uit de reacties die ik kreeg toen ik mensen in Lusaka vroeg naar Mwinilunga, helemaal in de noordwestelijke tip van Zambia. Er werd mij verteld dat Mwinilunga in de minst ontwikkelde provincie van Zambia ligt, en dat er behalve de marginale ananasindustrie weinig tot niets te beleven valt. Toch was Mwinilunga het gebied waar ik heen wilde voor mijn onderzoek naar landbouwgeschiedenis. Na een relatief soepele busreis van 15 uur kwam ik aan op de plek waar ik de komende 7 weken mijn onderzoek uit zou voeren. Aangezien het al donker was wist ik niet eens dat we al op de plek van bestemming aangekomen waren omdat de bus (jawel...) eerder dan verwacht arriveerde in Mwinilunga. Tijdens de busreis, en vooral tijdens de nacht die ik alleen door had gebracht in Solwezi (de hoofdstad van de noordwestelijke provincie) had ik me wel zorgen gemaakt. Niet alleen omdat ik niemand kende in Mwinilunga, de taal niet sprak en de weg niet wist, maar eigenlijk ook omdat ik geen goed plan had voor wat ik nou eigenlijk wilde bereiken, behalve het vage ´interviews afnemen´ en ´een beetje rondkijken´.Ik had aan alle mensen die ik in Lusaka en Solwezi had ontmoet gevraagd of zij iemand kenden in Mwinilunga. Dit had twee of drie telefoonnummers en de contactgegevens van de lokale tak van het landbouwministerie opgeleverd. Vanuit Lusaka had ik deze contacten benaderd, en ook al waren zij vriendelijk en beloofden zij mij te zullen helpen, toch was dit voor mijn gevoel niet genoeg.

Verbaasd – dat was ik en dat bleef ik. Toen ik uit de bus stapte stond een van mijn contacten met haar hele familie klaar om mij op te wachten en naar hun huis te begeleiden waar ik de nacht kon doorbrengen. De volgende dag gaf zij mij een tour door Mwinilunga langs de ´district commissioner´ (vergelijkbaar met de lokale burgemeester) en langs het landbouwministerie. Toen ik daar binnenstapte kreeg ik een hartelijke ontvangst, vertelden zij mij dat ze me al hadden verwacht en maakten zij een schriftelijk plan voor mijn verblijf in het Mwinilunga. In de volgende weken namen de mensen van het landbouwministerie mij onder hun hoede en brachten zij mij overal heen achterop hun motorfiets, het hele district door. Ik sliep bij de lokale landbouwofficieren en zij namen mij elke dag mee langs verschillende oudere boeren die nog wel wat zouden weten over ´hoe het vroeger was´.
Waar ik deze ontvangst aan verdiend had en waarom iedereen zo aardig en behulpzaam was, terwijl ik hen eigenlijk niks te bieden had, wist ik niet. De informatie die ik verzameld heb tijdens mijn verblijf in Mwinilunga was van grote waarde voor mijn onderzoek, dat tot dan toe vooral gericht was geweest op archiefbronnen. Niet alleen was het nuttig om de omgeving van Mwinilunga met eigen ogen te zien, ook de verhalen van de mensen gaven mij een inzicht in de geschiedenis van het gebied. Eenmaal terug in Nederland kon ik niet wachten om de onderzoekservaringen van mijn medestudenten te horen. Zij waren naar allerlei verschillende Afrikaanse landen af gereisd, van Mali tot Tanzania tot aan Namibië, en ook al waren er de nodige tegenslagen, toch kwam iedereen enthousiast en tevreden terug. Het motto: Onderzoek doen hoeft helemaal niet eng te zijn en is zelfs leuk!
