NVAS Nieuwsbrief June 2010

Groeten uit Kinshasa
Doceren en organiseren van een workshop over de nieuwe religieuze bewegingen in Kinshasa
Door dr. Julie Ndaya

In mei 2009 kreeg ik een email uit Congo. Het was de academisch secretaris van het Institut Africain des Sciences de la Mission (IASMI), professor Didier Mupaya. Hij schreef: “Het zou een groot plezier zijn, als ons instituut opnieuw kan profiteren van uw kennis” en stelde voor dat ik, naast de workshop, ook de cursus Culture de la paix, religion, conflicts et réconciliation aan zijn studenten zou geven.

Het IASMI is een Hogeschool voor academisch onderwijs. De school geeft een tweejarige licentiaat (master) in missiologie. De studenten zijn katholieke (aspirant) priesters. Zij komen uit diverse continenten: Afrika, Latijn Amerika, Azi ë. Maar de meerderheid komt uit verschillende Afrikaanse landen.

Ik ken dit Instituut sinds 2000, aanvankelijk voor literatuur studie in hun bibliotheek tijdens mijn promotieonderzoek naar het reinigingsritueel bij de charismatische gebedsgroep Le Combat Spirituel. Later, in 2005 werd ik gevraagd een presentatie te verzorgen tijdens een conferentie georganiseerd door de IASMI. In 2009 was ik initiatiefnemer voor het oprichten van een multidisciplinair netwerk voor het doen van onderzoek naar de rol van de nieuwe religieuze bewegingen in Congo. Het instituut is voor dit netwerk de basis, en ik kon er in 2009 een eerste workshop organiseren over de riten van de afro–christelijke kerken in de verzoening en rehabilitatie van slachtoffers van seksueel geweld in Congo.

Deze workshop was bedoeld als een eerste in een serie van drie. In 2010 zou ik terugkomen voor de tweede workshop. Het verzoek van het IASMI was dus om dit keer langer te blijven en naast de workshop ook een college te verzorgen. Doceren in Congo vanuit mijn eigen onderzoek was voor mij een lang gekoesterde wens. Tijdens mijn jeugd al ben ik geconfronteerd met Europese en Amerikaanse mensen die in mijn vaders huis logeerden, foto’s maakten en van alles opschreven in hun schriften. Zij wekten bij ons kinderen de verwachting dat al die indrukken in hun land zouden worden doorgegeven, zodat ze iets voor ons zouden kunnen doen, dat er iets terug zou komen. Maar noch in het dorp van mijn jeugd, noch in mijn latere studiecarriére heb ik iets terug gezien van wat de buitenlanders bij ons hebben geleerd. De frustratie over de intellectuele armoede in Congo en de onbereikbaarheid van vergaarde kennis heeft mij vanaf dat moment achtervolgd.

Toen ik later in Nederland de gelegenheid kreeg om te promoveren (heerlijk met zo’n rijkdom aan literatuur) wilde ik dan ook nadrukkelijk dat mijn onderzoek niet uitsluitend zou dienen tot wetenschappelijke debatten, maar dat het bruikbare informatie zou opleveren waar mijn samenleving van kan profiteren. Het feit dat een katholieke onderwijsinstelling me vroeg om te doceren over de nieuwe religieuze bewegingen was ook een baanbrekend initiatief. Er is in Congo spanning tussen de katholieke kerk en deze nieuwe religieuze beweging. Zij diskwalificeren elkaar. De katholieke kerk wil geen interreligieuze dialoog met ‘deze sekten’ omdat ze een van de factoren zouden zijn van de onderontwikkeling van Congo. Op haar beurt is de katholieke kerk mikpunt van kritiek voor de nieuwe kerken: zij heeft nooit aan haar leden geleerd hoe ze moeten omgaan met de Geschriften.

Vanuit mijn onderzoek probeer ik vaak aan mijn landengenoten te zeggen dat er veel belangrijke culturele elementen zijn in de nieuwe religieuze bewegingen. Hoewel zij pretenderen te breken met de Congolese traditie, produceren ze veel van de locale culturele elementen en staan dus dichterbij de cultuur waarin wij werden opgevoed door onze ouders.

Ik kreeg 14 studenten. Zij waren gemiddeld 5 jaar priester. De meesten hadden veel ervaringen met sociaal werk. Het waren interessante personen met praktische ervaringen. Ik heb dan ook mijn college, dat in de voorbereiding een meer theoretisch karakter had, na deze kennismaking aangepast. Naast het scheppen van een theoretisch kader over religie, geweld en verzoening, wilde ik de studenten dicht bij hun eigen realiteit brengen.

In de serie van 12 colleges heb ik veel ruimte gegeven aan praktisch onderzoek en communicatie over en weer tussen de studenten onderling. Kleine thematische etnografische onderzoekjes, bedoeld om de band tussen religie en verzoening te verkennen, werden onderbouwd met een theoretisch kader. De studenten heb ik gevraagd om in hun eigen omgeving voorbeelden van conflict en verzoening te zoeken en te observeren hoe zij worden opgelost et door wie. Observaties werden besproken en iedereen kreeg de gelegenheid om zijn eigen culturele achtergrond te vergelijken met die van de medestudenten. De samenstelling van de groep, vanuit verschillende continenten, gaf hieraan een levendig aspect, hoewel toch de culturele similariteit vanuit de studenten werd benadrukt.

Over verzoening kwamen wij tot de conclusie, dat het merkwaardig is dat in de meeste culturen verzoening pas aan de orde komt, wanneer er een reden is voor verzoening. Dit is wellicht een reden waarom veel internationale ONG’s, die werken aan verzoening, weinig succesvol zijn daarin. De nieuwe religieuze bewegingen hebben een effectievere benadering. Hun verschillende riten scheppen een omgeving waarin verzoening mogelijk en gewenst wordt. Terwijl er in Congo bijvoorbeeld gesproken wordt over etnische zuivering zie je dat in de kerken via de reinigingsrituelen een broederschap (bondeko in het Lingala) wordt gevormd tussen mensen met verschillende etnische achtergrond.

De constatering dat nieuwe religieuze bewegingen zo’n positief effect hebben bij moeilijk oplosbare conflicten, was aanleiding tot felle discussies binnen de groep katholieke priesters, waarvan sommigen zich afvroegen of de katholieke kerk hier wellicht nog wat van kan leren.

De priesters hadden veel waardering voor de methodologie van onderwijs die hen stimuleerde om direct naar de lokale omgeving, naar zichzelf, te kijken. Eén van de studenten zei dat het college een soort van terug gaan was naar de roots, naar de basis. Ook werd ik gevraagd door de academisch secretaris en de rector om door te gaan met dit college. Gezamenlijk zoeken we naar mogelijkheden om dit initiatief te verbreden naar andere onderzoekers.

Na de colleges werd, in het verlengde van de in 2009 georganiseerde workshop, een tweede workshop gehouden met als thema “Sens et impact du rite ’la délivrance’ dans quelques mouvements religieux Congolais” (Zin en impact van de reinigingsrite binnen enkele Congolese religieuze bewegingen). Voor deze workshop werd een breder publiek uitgenodigd, naast studenten ook hulpverleners, sociaal-maatschappelijke NGO’s etcetera. Opvallende onderdelen van het programma van deze tweedaagse workshop waren, na een inleiding van mij waarin ik het concept d’livrance in een theoretisch kader plaatste, een lezing door pastor Ngalasi van een nieuwe charismatische groep waarin hij liet zien wanneer en hoe deze rite binnen zijn beweging wordt toegepast. Later gaf prof. Muena Batende, socioloog aan de Universiteit van Kinshasa, een verhandeling over de behandeling van kindheksen, kinderen die zijn beschuldigd van hekserij.

Twee dagen voor de workshop had pater Alfredo Neres, een katholieke priester, zich gemeld omdat hij graag als spreker wilde meedoen. In de introductie van zijn verhaal vertelde hij dat hij als exorcist werkt (iemand die boze geesten verdrijft uit het lichaam), maar zonder daarvoor de toestemming te hebben van zijn bisschop. Hij was blij te merken dat binnen de nieuwe religieuze beweging openlijk gesproken wordt over wat binnen de katholieke kerken wordt verzwegen. De tweedaagse workshop werd druk bezocht en de discussie was boeiend.

Vanwege het succes van de workshop werd ik uitgenodigd door enkele katholieke parochies om ook daar te spreken. In de parochie Fátima heb ik een ochtend georganiseerd met de leiders van de ‘communauté écclesiale de base’. De pastoor van de parochie vond dat het tijd werd voor de katholieke kerk om een interreligieuze dialoog te starten met de nieuwe religieuze beweging. In ons voorbereidend gesprek zei hij: “zelfs binnen onze eigen families luisteren velen eerder naar de pastores van de nieuwe kerken dan naar ons.”

Tijdens de gesprekken deze ochtend in kleine groepen bleek mij opnieuw de dualiteit tussen de traditionele benadering van conflict en verzoening bij de deelnemers aan het gesprek en de aangeleerde officiële benadering van de katholieke kerk.

Tot zover dit verslag van mijn activiteiten. Was het de moeite waard? Het was een lange weg om tot dit initiatief te komen, maar ik heb mijn passie willen doorzetten. Die passie is: Breng de kennis terug naar waar het vandaan komt en zorg dat het bruikbaar wordt. Ik heb er veel voor terug gekregen: waardering en overwinning. Een plek om mijn inzichten te delen met andere mensen. Dat katholieken instellingen zich open stellen voor kennis van afro-christelijke religieuze bewegingen is nieuw in Congo en verheugt me.

Zoals ik boven schreef, zijn wij gestart met het opbouwen van een transnationaal en multidisciplinair netwerk voor verder onderzoek naar religieuze bewegingen. Wij hebben mensen, ideeën en een plek in Kinshasa. Wat wij nog zoeken is een institutioneel kader in Nederland om het idee verder te helpen ontwikkelen.

Tot slot wil ik graag Kees Ton van de organisatie Mensen met Missie, Bastiaan Kluft van Oxfam Novib, Huub Lems van de Protestantse Kerk in Nederland, Zuster Lisette van Swanenberg van de congregatie Zusters van Liefde, professor Mimbu Kilol en Professor Mubesala van IASMI bedanken voor de praktische en materiële steun om dit initiatief te kunnen starten.



Julie Ndaya met vier van haar studenten. foto: Karel Duran


Een beeld van Institut Mazenod. foto: Julie Ndaya


Overzicht workshop. foto Karel Duran


Straatbeeld Kinshasa. foto Karel Duran